De Vinexmensen wil weten hoe de Vinexwijken er, 25 jaar na het verschijnen van de Vierde Nota Extra, voor staan, maar kijkt ook vooruit: hoe ziet de toekomst van de Vinex eruit, en hoe gaan we die vormgeven?

mail: vinexmensen@newtowninstitute.org | twitter: @vinexmensen | facebook: Vinexmensen
Een project van INTI in opdracht van Het Jaar van de Ruimte
Onderzoeker Yannick Sonne dompelde zich de afgelopen maanden onder in Vinexwijk de Waalsprong in Nijmegen. Vandaag het slot: ’Mensen, kom uit die huiskamer!’
Door: Yannick Sonne - 21 september 2015


Bijeenkomst wijkraad Lent. © Yannick Sonne

Het is begin juni als ik naar de dorpsschuur van Lent fiets. Daar komen de leden van de Wijkraad Lent (door sommigen nog altijd ‘dorpsraad’ genoemd’) iedere maand in vergadering bijeen. Ik ben laat, voorzitter Ton Pennings heeft het woord al genomen als ik binnen loop. Rond de tafel zitten zo’n twintig mensen, waaronder de nieuwe wijkmanager van Nijmegen-Noord. Naast haar zit een man in politietenue - de wijkagent, hoor ik later tijdens het voorstelrondje. Als ik aan de beurt ben en vertel over de reden achter mijn bezoek, zegt de voorzitter zich te verheugen over deze ‘nationale belangstelling’ voor zijn wijkraad.

Mondigheid en meepraten
Een inspraakavond over een concreet onderwerp is in de Waalsprong makkelijk gevuld. Dat vertelt Inge van den Hoogen van de gemeente Nijmegen mij later. Inge werkt aan de wijkaanpak in de Waalsprong en heeft dat al eerder gedaan in andere wijken van Nijmegen. Volgens haar kwamen er meer dan honderd bewoners af op een informatieavond over de nieuw te bouwen wijk Hof van Holland. Die belangstelling is wel anders in volkswijken als Dukenburg, waar bewoners volgens haar minder gewend zijn hun stem te laten horen.

Dat bewoners van de Waalsprong graag meepraten en -beslissen bleek ook uit de gesprekken. Een aantal respondenten herinnert zich vooral nog de mondigheid van hun nieuwe buren bij de kopersavonden. Zo vertelt een jonge moeder uit Oosterhout: ‘Toen we bij de kopersavond van de eerste zestig kopers kwamen, was iedereen opgewonden en geagiteerd, het ging over kleuren van de kozijnen enzo. Dus wij keken elkaar aan en dachten: mijn hemel! Maar zij waren al anderhalf jaar bezig en wij waren er pas net ingerold.’

Sommige respondenten zeggen zo nu en dan een inspraakavond te bezoeken, en uit de cijfers blijkt dat de opkomst bij verkiezingen in de Waalsprong hoger dan gemiddeld is in Nijmegen. Ook zijn de bewoners die ik spreek aardig op de hoogte van de hete hangijzers in hun wijk. Zo was er veel opschudding over de bouw van het Van der Valkhotel naast het station, dat het dorpsaanzicht van het oude Lent zou aantasten. Bewoners volgen die ontwikkelingen met interesse, voornamelijk via de wijkkrantjes Lentse lucht en de Ben er weer, maar ook door organisaties als het Sociale wijkteam, Nijmegen-Noord en de Gelderlander te volgen op Facebook en Twitter.

Over politieke onderwerpen praten zij met relativering: verandering hoort nu eenmaal bij een wijk in aanbouw. Toch is de houding naar de lokale politiek niet zonder meer positief. De mogelijkheden tot inspraak worden door een aantal gezien als schijn-invloed. Over het bewonersprotest rond de bouw van het Van der Valkhotel zegt een bewoonster van Lent: ‘Mijn schoonzus werkt bij de gemeente en zij zei al: dat ding gaat er gewoon komen. Dan communiceren ze: hij wordt zestig meter hoog, terwijl ze wel weten dat-ie vijftig wordt. Tja, dan lijkt het alsof ze een geste doen naar bewoners.’

Ik wil het best een keer aanhoren
Veel meepraten in de Waalsprong en weinig in Dukenburg, maar als het gaat om echt meedóén, dan zijn de rollen volgens Inge van de gemeente juist omgedraaid: het vinden van bewoners die bereid zijn mee te helpen aan het uitvoeren van een project is volgens haar juist eenvoudiger in Dukenburg dan in de Waalsprong. Wel meebeslissen, maar eigenlijk geen tijd hebben om je duurzaam in te zetten: zou dat typisch zijn voor de politieke betrokkenheid van Vinexmensen?

Terug naar de vergadering van de Wijkraad Lent. Om mij heen zitten voornamelijk mannen van boven de vijftig jaar - niet bepaald een dwarsdoorsnede van de bevolking van Lent. Wel zitten er aan het hoofd van de tafel twee bewoners die voor het eerst komen kijken, en die ik ergens achterin de twintig inschat. Ondanks de strakke agenda duurt de vergadering tot laat in de avond en mis ik zodoende mijn laatste trein naar huis.

‘Kunnen we de volgende keer geen kaart van Lent neerleggen, zodat iedereen weet over welk gebied we praten?’ vraagt een van de jonge nieuwelingen die verder nauwelijks aan het woord is geweest bij het rondje vragen en opmerkingen aan het einde van de avond. ‘Voor nieuwe mensen zoals wij was dat niet steeds helemaal duidelijk.’

Ik ga langs bij een man op leeftijd naast wie ik tijdens de vergadering heb gezeten. Hij beklaagt zich over de geringe belangstelling van jongere bewoners voor de lokale politiek. Toen het bestuur vorig jaar aftrad, plaatste de raad een oproepje in de Lentse lucht, vroegen leden rond bij de moestuinvereniging, en werden belangstellenden bij een inspraakavond opgeroepen lid te worden. Maar het resultaat was minimaal. ‘Toen er een artikeltje in de krant stond dat er slib was gestort in de plas hier achter, hadden we ineens honderd man bij de bewonersavond. Dan zeggen we: mensen, kom eens uit die huiskamer vandaan en zet je in voor de wijk! Ik denk dat ze te weinig tijd hebben. Als ik het aan mijn eigen kinderen zie, dan denk ik dat ook wel eens hoor. De oudste heeft een managementfunctie, die werkt zestig uur, en dan ook nog onregelmatig. Ik kan het me voorstellen, maar ik vind het wel jammer.’

Een jonge vader uit Lent vertelt: ‘Bij mij is het meer van: ik heb bij alle clubjes en commissies waar ik voor mijn werk in zit al veel inspraak, en dat wil ik niet in mijn leefomgeving zoeken. Dan zoek ik juist de rust op. Bij de moestuin, daar kunnen echt wel een aantal zaken beter geregeld worden en sneller vooral ook, maar dat doe ik dan bewust niet. Ik moet voor m’n werk veel regelen en doen, en liever niet hier. Ik wil het best allemaal een keer aanhoren bij zo’n wijkraad, maar niet echt bijdragen.’

Even googlen
Opvallend is dat de meeste respondenten niet eens weten wie de wijkagent, de wijkmanager en de voorzitter van de Wijkraad zijn. Maar dat betekent niet dat bewoners zich niet inzetten voor het behartigen van gezamenlijke belangen. De politieke betrokkenheid lijkt dan ook niet zozeer gestalte te krijgen door goede kennis van en duurzame deelname aan bestaande lokale politieke netwerken, zoals de wijkraad en wijkcomités. Eerder zoeken bewoners die concrete zaken anders willen in hun buurt ad hoc naar de juiste officiële kanalen of maken zij gebruik van hun eigen informele netwerk: ‘Ik google dan gewoon bij wie ik moet zijn,’ zegt een respondente uit Lent. ‘Iemand hier in de straat werkt bij de gemeente. Dat met die auto’s heb ik toen ook via hem gespeeld. Heb ik even wat foto’s gemaakt van die situatie en wat kinderen tussen die auto’s gezet. Als je dan moeite doet, dan doen zij dat ook.’

Een andere vorm van politieke actie die beter lijkt te passen bij jongere wijkbewoners is het opzetten van een eigen initiatief waarin je je eigen regels kunt opstellen die voor jongere bewoners wellicht toegankelijker aanvoelen. Een bewoonster van Oosterhout heeft een eigen netwerk opgezet voor kinderen in de buurt met een handicap. Op het schoolplein kwam ze in contact met ouders die in dezelfde situatie zitten. Samen gingen zij steeds meer zaken voor hun kinderen organiseren en nu zijn zij een belangrijke gesprekspartner voor de gemeente, die druk is met het decentraliseren van het zorgaanbod. ‘Overal zijn patiëntenverenigingen voor, maar je leeft hier. En je weet niet altijd wat het aanbod is: waar moet ik met mijn kind heen? Het is praktischer om daar samen in op te trekken en kinderen met een beperking te verenigen.’

Onderzoeker Yannick Sonne dompelde zich de afgelopen maanden onder in Vinexwijk de Waalsprong in Nijmegen. Vandaag aflevering 7: Vluchtelingen in Vinexland
Door: Yannick Sonne - 14 september 2015


De Volkskrant, 17 augustus 2015, ’Nijmegen zet Eritreeërs bij elkaar’ © De Volkskrant

Het is eind juni, half 8 in de avond. In de aula van het Citadel College middenin de Waalsprong druppelen bewoners en andere belangstellenden binnen. Bij de ingang staan thermoskannen met koffie en thee, en achterin staat een informatiekraampje van Vluchtelingenwerk Nederland. Belangstellenden zijn op de bijeenkomst afgekomen omdat de wethouder met belangrijke informatie komt over de plannen van de gemeente met het halflege studentencomplex naast de school. Deze zomer dringt de in heel Europa spelende vluchtelingenkwestie ook de Waalsprong binnen en wordt de kalme Vinexwijk plotseling landelijk voorpaginanieuws.

Nijmegen zit namelijk met een probleem. Van rechtswege is iedere gemeente verplicht een vastgesteld aantal vluchtelingen met een erkende verblijfsstatus op te nemen. De jonge mannen uit Eritrea, op de vlucht voor het daar heersende regime, zijn veelal zonder gezin gevlucht. En omdat de beschikbare sociale huurwoningen aan die ‘statushouders’ met kinderen zijn toegewezen, besluit de gemeente honderd van hen bij elkaar te huisvesten in het studentencomplex in de Waalsprong.

Landelijke media duiken er een aantal weken na de bijeenkomst bovenop: “Eritrese mannen op één hoop gegooid in Nijmegen” kopt gratis dagblad Spits. Ook wijdt de Volkskrant zijn voorpagina aan de kwestie en laten de reaguurders op de website van omroep Powned van zich horen. Die ophef richt zich ook op Vluchtelingenwerk Nederland en de Nijmeegse gemeenteraad. Zo vindt de lokale PvdA de Waalsprong een slechte locatie, omdat de integratie van de mannen veel beter zou verlopen tussen de studenten in de stad dan tussen de gezinnen in de Vinexwijk.

De blonde meisjes
Terug naar de bewonersbijeenkomst in juni. Na de PowerPoint-presentatie van de verantwoordelijk wethouder en een dame van Vluchtelingenwerk Nederland mogen de aanwezige bewoners reageren. In de aula zitten rond de vijftig mensen, waarvan pakweg tweederde bestaat uit bewoners. Hoewel de reacties aanvankelijk mild zijn, lopen de emoties uiteindelijk toch op. Wat gaan die jonge mensen de hele dag doen? Hoe wordt er gezorgd dat ze gaan meedoen in het dagelijks leven van de Waalsprong?

Een van de aanwezige bewoners zegt: “Het is een groep die je clustert, die niet de hele dag wat te doen hebben, en waar de hormonen misschien heel erg gaan spelen. Dan vind ik het gewoon heel eng dat met name blonde meisjes, waar ze over het algemeen gek op zijn, hier dagelijks minimaal twee keer per dag voorbij fietsen, en in groten getale. Begrijp me niet verkeerd, ik vind het verschrikkelijk waar zij in verkeren, maar het gevaar van clusteren, dat is wat mij zorgen baart.”

Een maand voorafgaand aan de bijeenkomst staat er in de Gelderlander, een dagblad met veel lezers in Nijmegen, bijna hetzelfde citaat: ’Hoe gedragen verveeld, rondhangende jongeren met opspelende hormonen zich tegenover jonge, blonde meisjes?’ Eén van mijn respondenten uit Lent noemt begin juli hetzelfde argument: Wat ik gehoord heb, dat als je dochters hebt, dan kan ik me voorstellen dat je je dan zorgen maakt. Dat heb ik volgens mij in de Gelderlander gelezen.’ De blonde schoolgaande meisjes worden zo een krachtig symbool in de weerstand tegen de plannen van de gemeente. Een typisch suburbaan symbool ook, waarin zowel het eigen demografische zelfbeeld verpakt zit, als de angst voor toenemende grootstedelijke problematiek.

Samen de schouders eronder
Toch zijn de meesten van mijn respondenten gelaten onder de kwestie, en voelen zij zich geen directe betrokkene: zij wonen er nog relatief ver vanaf en/of hun kinderen fietsen er niet zelfstandig langs. Mijn respondenten tonen over het algemeen zowel begrip voor de positie van de gemeente en de statushouders zelf, als voor de zorgen van omwonenden.

‘Ik kan me er nog niet zo veel bij voorstellen,’ zegt een jonge moeder uit Lent. ‘Of mensen hun best doen de Nederlandse cultuur over te nemen, of dat ze een fiets gaan stelen… daar durf ik nu nog niks over te zeggen. Ze moeten natuurlijk wel iets van werk aangeboden krijgen - ze moeten zich toch ook kunnen ontwikkelen. Je kunt mensen in de wijk een helpende hand toesteken. Ik zou alleen nog niet zo goed weten hoe.’

De meeste respondenten tonen in de gesprekken een voorkeur voor een homogene bevolkingssamenstelling en een lichte achterdocht voor toenemende variatie. Dat komt voort uit hun goede ervaringen met gelijkgestemden in de buurt. Maar bij een politiek beladen onderwerp als de vluchtelingenkwestie is tolerantie en ‘samen de schouders eronder’ ook nadrukkelijk onderdeel van hun opvattingen.

In die kwesties past een kosmopolitische houding beter bij hun eigen sociale positie. Niet voor niets hebben bewoners moeite om hier een stevige positie in te nemen en blijven stellige opvattingen achterwege. Dat beeld is ook terug te vinden in het stemgedrag. Uiterst linkse en uiterst rechtse partijen kunnen in de Waalsprong op minder aanhang rekenen dan in de rest van Nijmegen. Geringe aanhang is er met name voor de PVV, de partij die zich uitgesproken conservatief opstelt in het immigratiedebat.

Ideologische breuklijn?
In Nijmegen zijn linkse partijen mede vanwege het grote aantal studenten al decennialang dominant. Maar verwonderlijk is het niet dat bewoners van de Waalsprong liberaler stemmen dan in het links georiënteerde Nijmegen als geheel: huizenbezitters uit de middenklasse hebben immers andere politiek-economische belangen dan minima in een huurwoning. Daarom is het ook niet vreemd dat Lentenaren gemiddeld linkser stemmen dan Oosterhouters. Op nationaal niveau is het totale Nijmeegse electoraat beduidend linkser dan gemiddeld, terwijl het stemgedrag in de Waalsprong veel meer in lijn ligt met de nationale gemiddelden.

Toch vormt de Waal geen problematische politiek-ideologische breuklijn. Een respondent uit Oosterhout vertelt mij dat zij bij gemeenteraadsverkiezingen altijd linkser stemt dan bij nationale verkiezingen, omdat de gemeente het volgens haar helemaal niet onverdienstelijk doet. Een aantal andere respondenten zegt liberaler te stemmen dan veel Nijmegenaren, maar zij praten geheel niet in negatieve termen over het linkse karakter van de stad.

In een kleine enquête die ik onder mijn respondenten afnam werd de stelling: “Van mij mag Nijmegen-Noord een aparte gemeente worden, los van Nijmegen” dan ook door bijna alle respondenten stellig verworpen. Het lijkt erop dat op gemeentelijk niveau de samenbindende culturele identiteit van Nijmegen, de bourgondische stad van gewone mensen, avontuur en gezelligheid, daar sterk genoeg voor is.

En de vluchtelingen? Die komen op het moment van schrijven, ondanks alles naar alle waarschijnlijkheid eind 2015 gewoon naar de Waalsprong. Volgens Inge van den Hoogen van de gemeente Nijmegen loopt de bezwaarprocedure binnenkort af, en zijn er nog geen officiële bezwaren van bewoners binnengekomen. Zij is verheugd over de spontaan toegezegde hulpvaardigheid van de mensen van de tennisvereniging, die de vluchtelingen gratis toegangspasjes willen geven, en van de Historische Tuin, die ook een handje willen helpen. Honderd Afrikaanse jongemannen in kindvriendelijk en lelieblank Vinexland. Of het werkt zal de geschiedenis leren.

In een nieuwe serie blogs over de Vinexwijk, duiken we dieper in De Waalsprong, Nijmegen. Aflevering 6: Thuisvoelen in de Waalsprong
Door: Yannick Sonne - 9 september 2015


Uitvoering van de NoorderSong tijdens het wijkfeest 15 jaar Oosterhout, 26 april 2015. © Yannick Sonne

“De wijk, hier in de Waalsprong / De plek waar het begon / Hier wonen we samen / In het lied de NoorderSong.”

Dit is het refrein van de NoorderSong, waarmee een groep bewoners van Oosterhout dit voorjaar optrad ter ere van het 15-jarig bestaan van de wijk. Ook in de Waalsprong is een stevige basis voor een wij-gevoel, maar op een andere manier dan in oude stadswijken of dorpen.

Geen van de respondenten die ik sprak zijn geboren en getogen in Nijmegen. Sommigen komen uit een gemeente in de regio, en anderen uit Brabant, Limburg of uit de Randstad. Maar omdat bewoners een lange wooncarrière achter de rug hebben, voelen zij zich meestal niet (meer) sterk emotioneel verbonden met de woonplaats waarin zij zijn opgegroeid. En juist dat lijkt inherent aan het wonen in een nieuwgebouwde omgeving als de Waalsprong.

Een respondent uit Oosterhout vat dat als volgt samen: ‘Of je nu uit Utrecht of uit Oud-Oosterhout komt, als je voor deze wijk kiest, dan heb je besloten om niet in je eigen dorp te blijven wonen. En dus laat je dat een soort van los. Je hoort het soms nog wel aan de tongval: Oh ja, jij komt uit het westen en jij uit Noord-Brabant. Maar ik vind deze wijk niet typisch Nijmegen. Het is echt een mix.’

Wij-gevoel
Vanwege die grote verscheidenheid in afkomst, berust het wij-gevoel dat bewoners van de Waalsprong ervaren dan ook niet zozeer op specifieke eigenschappen van de omgeving of de geschiedenis van de streek. Die tref je soms wel aan in oude stadswijken of dorpen, zoals de Jordaan in Amsterdam, of Spakenburg en Volendam. Daar is na vele generaties een specifiek lokaal karakter ontstaan, met een gedeelde geschiedenis en soms zelfs een eigen dialect. Nieuwe wijken als de Waalsprong ontberen dit verbindende collectieve geheugen, maar dat betekent niet dat er geen basis is voor een sterk wij-gevoel.

De mensen uit de Waalsprong spreken geen gezamenlijk streekdialect. Maar waar de variatie wat betreft afkomst groot is, is de sociaaleconomische en demografische variatie hier juist opvallend klein. Het wij-gevoel berust daarom ook meer op het lidmaatschap van de hoogopgeleide, suburbaan georiënteerde middenklasse in het algemeen, en de manieren van doen die horen bij deze sociale categorie. In een anekdote die een vrouw uit Oosterhout mij vertelt, is dit type wij-gevoel terug te vinden:

‘Een paar jaar geleden was de Klif beklad met graffiti. Toen kregen we meteen allemaal een brief van de politie. En toen had echt iedereen het erover, van wie zou dat nou gedaan hebben? Toen hadden we allemaal ook meteen zoiets van: nou, het is toch wel heel gaaf dat dit eigenlijk heel ongewoon is bij ons in de wijk, en dat de gemeente het meteen gaat schoonmaken! Daar waren we heel blij mee. Laatst heeft het jeugdhonk een graffiti-cursus gedaan, maar dan met keurige kleuren en teksten, van “Oosterhout, Nijmegen-Noord” staat er nu op. Geen schuttingtaal, haha!’

Nep-Nijmegenaren
Toch hebben ook lokale identiteiten invloed in de Waalsprong. Zo heeft de stad Nijmegen een imago met een uitstraling die rijkt tot ver buiten de gemeentegrenzen. Je hoeft zelf nooit in Nijmegen geweest te zijn om toch een beeld te hebben van de Nijmegenaar. Het Havana aan de Waal heeft het imago van links bolwerk met een rumoerig verleden van studentenopstanden. Omdat veel respondenten als twintiger met veel plezier in het oude deel van Nijmegen hebben gewoond, praten zij over het algemeen op een liefkozende manier over echte Nijmegenaren. Die beschrijvingen zijn niet zonder ironie: zij weten ook wel dat het cliché’s zijn die zij noemen.

Echte Nijmegenaren zijn een beetje alternatief en tamelijk kritisch. En ze houden wel van een goed potje zeuren. “Nuilen” heet dat in onvervalst Nijmeegs. Onder elkaar gaat het er informeel aan toe. ‘Nijmegen gaat al wat meer zuidelijk, is wat gemoedelijker,’ vertelt een vrouw uit Oosterhout. ‘Arnhemmers hebben het wat hoger in hun bol, ik denk dat ze dat hier wel vinden. Ik heb dat zelf minder, maar je merkt het verschil wel. In Arnhem praten de vrouwen bij het toilet in de kroeg niet met elkaar. Hier staan de vrouwen op de wc met elkaar te ouwehoeren. Gezellig!’

Hoewel de ironie er vaak dik bovenop ligt, zullen de beschrijvingen ook weer niet helemáál op fictie berusten. Opvallend is dat niemand bij het geven van een dergelijke beschrijving in wij-vorm praat. Ook de rivaliteit tussen Arnhemmers en Nijmegenaren lijkt voor de meesten eerder folklore waar zij zelf geen onderdeel van zijn.

Ongeveer de helft van mijn respondenten beschouwt zichzelf bovenal als Nijmegenaar. Maar de meesten van hen voelen toch wat schroom zich expliciet te verbinden aan de lokale identiteit. Want zo honkvast zijn zij immers niet: ‘Ik volleybal sinds een tijdje in oud-Oosterhout. Er zijn steeds meer mensen uit Oosterhout hier komen wonen. En het is wel grappig dat je steeds meer begint te merken wie waar vandaan komt. Dus echte Nijmegenaren, of Oosterhouters, soms wat Arnhemmers, maar ook heel veel zoals ik ben weet je wel, van die nep-Nijmegenaren, van die import. Daar zijn er heel veel van.’

Alles went, maar het blijft Lent
Jonge stellen die hun stedelijke leven als twintiger inruilden voor het suburbane leven van de Waalsprong maakten een andere afweging dan sommige vrienden die achterbleven in de stad, en voor oudere wijken kozen: ‘De mensen die in Nijmegen zijn blijven wonen, daar zit een stukje status. Die kiezen voor de Hazenkamp. Dat zijn de mooie huizen in Oost. Want je gaat toch zeker niet zomaar in nieuwbouwwijk wonen? Terwijl als ik hier kijk, de mensen zijn wat relaxter.’

Door de vrienden die in de stad achterbleven, werd deze respondent soms geplaagd. “Oh? Jij woont in Arnhem-Zuid?” vroegen zij dan spottend, waarmee zij hun afkeuring lieten blijken voor zowel Arnhem als voor het leven in een Vinexwijk. ‘Ik vind dat wel grappig. Mensen die in Nijmegen zijn blijven wonen, hebben ook geen kinderen. Lang leve de lol. Maar die wonen over een paar jaar ook hier. Dan slaat het om. Dan hebben zij ook kinderen en dan zie je dat het daar niet werkt.’

Hoewel ik geen onderzoek heb gedaan naar het imago van de Waalsprong onder Nijmegenaren onder de Waal, lijkt de liefde tussen oud- en nieuw-Nijmegen eenzijdig. De slogan ‘Alles went, maar het blijft Lent’, die een aantal jaren geleden door het kunstenaarscollectief De Vlegels op de spoorbrug was geplakt en lokaal voor een klein media-relletje zorgde, is volgens de respondent uit bovenstaand citaat inmiddels een ingeburgerde uitspraak geworden onder achterblijvers. Maar die negatieve geluiden zouden ook enkel afkomstig kunnen zijn van jongvolwassen Nijmegenaren die (nog) niets moeten weten van een gevestigd gezinsleven.

Anti-stedelijke trekken
Terug naar de NoorderSong. “Een huis op het eiland / De school in de buurt, zicht op het park / Verderop de velden / Het is Nijmegen aan de overkant!“

In dit couplet klinken twee kwaliteiten van de Waalsprong door: lekker in het groen, maar toch in de stad. De warme gevoelens die veel respondenten koesteren voor de stad Nijmegen betekent niet dat hun oriëntatie uitgesproken stedelijk is. Bewoners willen wel in de buurt wonen van een oude stad, vanwege het openbare leven en de voorzieningen, maar meer om zo nu en dan te bezoeken. Het wonen in het groen wordt meer gewaardeerd dan de nabijheid van een stedelijk milieu.

Bovendien wordt de stad Nijmegen juist gewaardeerd vanwege zijn anti-stedelijke trekken: ‘Nijmegen is lekker compact,’ zegt een jonge vader uit Lent. ‘Het zijn behapbare afstanden, echt een groot dorp. En de mensen zijn gezellig. Ik heb daar veel vrienden wonen die zijn blijven plakken. Dat studentikoze vind ik wel leuk, dat maakt het een beetje stads.’

Enerzijds gebeurt er in de stad van alles en is de sfeer tolerant en gericht op vernieuwing. Respondenten zien dat als uitgesproken stedelijke kwaliteit. Maar anderzijds vinden mijn respondenten Nijmegen ruimtelijk gezien compact en overzichtelijk. Bovendien is het sociale leven in de stad ‘gezellig’, zoals in een dorp. Die kwaliteiten zet een aantal respondenten af tegen grote steden in het westen van het land. Daar is geen overzicht en raak je al snel verloren. In plaats van gezellig is de sfeer daar anoniemer en zijn de mensen brutaler.

Een gezinsleven in een tamelijk beschermde en comfortabele omgeving in het groen, met een middelgrote Nederlandse stadskern op fietsafstand. Met meer waar voor je geld dan in de oude stad en met buren waarin je je herkent, en waarop je kunt vertrouwen. Dat ongeveer is thuisvoelen in de Waalsprong.

In een nieuwe serie blogs over de Vinexwijk, duiken we dieper in De Waalsprong, Nijmegen. Aflevering 5: Een gezellige straat is vooral heel praktisch
Door: Yannick Sonne - 4 september 2015


Ouders wachten hun kinderen op, op het schoolplein van de Ster (Lent). © Yannick Sonne

Kunnen je buren ook je vrienden zijn? Een aantal bewoners in Oosterhout moet daar niet aan denken. Die vinden het fijn dat er wat afstand is, dat de mensen in hun straat zich voornamelijk richten op het eigen gezin. Ook in Lent trof ik mensen aan die afstand prettig vinden. Het lijken vooral de bewoners van grotere huizen die meer op zichzelf zijn.

Een heel ander verhaal is het in een rijtje koopwoningen vlakbij het voorzieningenhart in Lent. In die straat ging ik langs bij drie bewoners en allemaal beschouwen zij een aantal van hun buren als goede vrienden. Ieder jaar organiseren zij een groot straatfeest met een springkussen en muziek. Ook alle verjaardagen worden uitgebreid met de buren gevierd. De bevriende stellen zitten samen in twee app-groepjes: een algemene en een bieb-app: ‘Als iemand een boek uit heeft, dan wordt-ie op de bieb-app gezet, zo van: wie wil ‘m lezen?’ vertelt één van hen mij. De drempel om even bij elkaar over de vloer te komen ligt laag. Toch benadrukken zij alle drie dat het contact is gebaseerd op vrijblijvendheid.

’Ik bak zondag een hele stapel pannenkoeken, en wie zin heeft komt gezellig pannenkoeken eten!’ citeert een bewoonster van de straat een app-berichtje van een buurman. Daaruit spreekt gezelligheid, maar ook vrijblijvendheid. ‘Suzanne woont een paar huizen verderop. Daar verzamelt iedereen geregeld op straat om koffie te drinken. Dat is echt een moederfiguur hier, die past ook op de kinderen enzo. Maar het is ook allemaal helemaal niet verplicht, dat is het leuke. Soms komt het zo uit en dan kom je even langs. En het is ook niet zo van: wij zijn drie keer daar geweest dus moet het de volgende keer bij ons, nee.’

Die vrijblijvendheid is niet typisch voor Lent of voor de Waalsprong, maar typisch voor dit type buitenwijken in het algemeen. Gezelligheid is leuk, maar de autonomie van het eigen gezin staat voorop. Dat sommige buren zich helemaal afzijdig houden vinden de mensen die ik sprak dan ook niet erg.

Oh ja, de kinderen!
De opvang en het toezicht op opgroeiende kinderen is voor jonge gezinnen een van de meest tijdrovende activiteiten. Dat zomaar aan anderen overlaten vergt nogal wat vertrouwen. Gezelligheid is daarom niet enkel een doel op zich. Omdat bewoners wat betreft levensfase en routines zo op elkaar lijken, is de herkenning groot en daarmee ook de bereidheid elkaar te helpen. Het leven met kinderen is daardoor makkelijker dan in de stad, zeggen veel respondenten.

Zo maken de sociale netwerken van gezinnen in de straat van een andere respondent in Oosterhout het haar gezin makkelijker. Zij woont in een huis in een zelfde soort rijtje koopwoningen als de hiervoor beschreven mensen, maar dan vlakbij het voorzieningenhart van Oosterhout. Haar beschrijving van het buurtcontact lijkt erg op de verhalen van bewoners van het rijtje in Lent. ‘Wij denken vaak pas op zaterdagochtend als we ’s avonds ergens heen moeten: ’oh ja, de kinderen!’ En dan zijn er altijd wel buren te vinden die op de kinderen willen letten. Dat is gewoon erg makkelijk hier. Terwijl andere mensen al ergens halverwege de week hebben moeten regelen dat oma in huis komt om op te passen.’

Elkaar even helpen
Door Oosterhout loopt geen doorgaande weg. Daarom komen er niet zoveel mensen in de wijk die er niet wonen. Dat biedt ouders de mogelijkheid hun jonge kinderen binnen afgesproken grenzen zelfstandig door de buurt te laten bewegen. ‘Mijn jongste komt om vijf uur van de opvang in de Klif, en dan kijkt een buurvrouw aan de overkant even mee als hij de busbaan oversteekt. En dan staat hij al aan de achterkant van de Klif en dan is ’ie zo hier. Dat doe je dus, dat spreek je met elkaar af. Dat vind ik ongelofelijk veel waard.’

Ook bij plotselinge problemen staan de buren paraat. ‘Een tijdje geleden had ik het huis vol visite, stond de buurman ineens voor de deur. Zegt ’ie: ’Oh, je hebt visite.’ Zeg ik: ’Ja maar ik zie aan je gezicht dat er iets is.’ Was zijn vrouw op het ijs gevallen, klassiek gevalletje pols gebroken. ’Laat die kinderen maar hier, dan kunnen jullie naar het ziekenhuis,’ zeg ik.’

Volkswijk
Soms worden bekende beelden van volkswijken in Nijmegen of volkse types impliciet of expliciet als referenties gebruikt, om aan te geven hoe het er in hun straat juist niét aan toegaat. Zo vertelt dezelfde vrouw als uit bovenstaand citaat: ‘Bij het WK deden we elke week een soort straatbarbecue. Het leuke was dat dat steeds spontaan ontstond. Nederland wint, en dan dachten we: oh leuk, we kunnen nog een keer! En wie het hardste riep van ’jongens, neem wat te drinken mee en kom bij ons kijken!’, daar gingen we dan zitten. De tv op de drempel binnen en de stoelen buiten, terrasverwarmer aan, prima. We hadden niet de hele straat oranje gedaan. In van die oudere wijken zie je dat dan, maar hier zijn we meer van: allemaal een oranje shirt aan, dan is het ook goed. Niet te overdreven.’

‘We hebben hier één aso wonen,’ vertelt een vrouw uit het rijtje huizen in Lent. ‘Toen hij hier net kwam wonen waren er problemen met jongeren uit oud-Lent en Bemmel, die gingen hier ’s nachts hangen en drugs gebruiken. Hij was iemand die er dan voor koos om niet de politie te bellen, maar om het zelf op te lossen, de confrontatie aan te gaan. Dus dan ging-ie lekker tekeer op straat. Dat is natuurlijk niet zo handig.’

Vrijblijvende verbondenheid
Met die terloopse verwijzingen naar andere bevolkingsgroepen en plekken maken de respondenten duidelijk wie zij zelf eigenlijk zijn. Namelijk mensen die samen voetbal kijken gezellig vinden, maar het belang van een WK-voetbalwedstrijd ook kunnen relativeren. Mensen die vinden dat je overlast of criminaliteit niet eigenhandig moet oplossen, maar die kiezen voor de institutionele weg: via de politie.

De manier waarop respondenten in Lent en in Oosterhout praten over hoe het toegaat in hun straat, wijst op gelijkgestemdheid en onderlinge solidariteit. Die verbondenheid tref je ook aan in volkswijken. Met het verschil dat de gelijkgestemdheid in Oosterhout en Lent op typische waarden van de middenklasse is gebaseerd. Deze onderlinge solidariteit is wel minder belangrijk dan de autonomie van het eigen gezin. Gezelligheid in de straat is leuk en de hulp van buren is meer dan welkom, maar alleen als het gevoel blijft dat meedoen in de straat een vrijblijvende zaak is.

In een nieuwe serie blogs over de Vinexwijk, duiken we dieper in De Waalsprong, Nijmegen. Aflevering 4: Alle begin is moeilijk, maar een hond doet het altijd goed
Door: Yannick Sonne - 1 september 2015


Oproepjes op het prikbord van voorzieningenhart de Klif in Oosterhout. © Yannick Sonne

Wat zijn goede buren? Het is een tamelijk slechte vraag om te stellen, want het antwoord laat zich raden: ‘Nou, mijn eigen buren eigenlijk.’ Maar als de verhalen komen, over de kinderverjaardagen, de voorbereidingen voor het straatfeest, de kleine ergernissen over andermans parkeergedrag en het uitwisselen van de babyfoon, dan blijkt het toch echt waar. Het sociale leven in de Waalsprong is prettig. Met kinderen in de buurt breekt het ijs snel. Maar in Lent ziet dat sociale leven er anders uit dan in Oosterhout.

Verschillende jasjes
’Het leven in Oosterhout is individualistischer en wat afstandelijker dan in Lent,’ zegt de gebiedsmarketeer van het onwikkelbedrijf. ‘Mensen zijn meer op zichzelf, meer gericht op luxe en er zijn ook minder vrijwilligers.’ Ik vond dit tamelijk openhartige uitspraken voor een gebiedsmarketeer. En hoewel ikzelf veel enthousiasme en hulpvaardigheid vond bij het zoeken naar respondenten in Oosterhout, werd het beeld hier en daar toch ook bevestigd.

Zo sprak ik een man die zich een beetje de vreemde eend voelt in de wijk, maar veel initiatieven heeft opgezet in de Waalsprong. ‘Zet ik een oproepje in de Ben er weer (het wijkkrantje van Oosterhout) voor vrijwilligers, dan krijg je nul reacties. In de Lentse Lucht (het wijkkrantje van Lent) krijg je wel twintig reacties.’

Dat komt volgens hem door de dorpse sociale netwerken, die er al waren in het oude dorp Lent, terwijl die in Oosterhout van de grond af moesten worden opgebouwd. Maar de verschillen in het sociale leven waren volgens de gebiedsmarketeer ook al vooraf gepland. Het ontwikkelbedrijf kijkt daarbij naar de vraag van de markt en daarvoor hebben ze ‘verschillende jasjes in de kast hangen’.

Home cinema
De initiatiefrijke man uit Oosterhout organiseerde ooit een tijdje een filmcafé. ‘Arthousefilms die we zelf wilden zien, maar ook films voor het grote publiek, zoals die ene film over Sinterklaas. Hartstikke leuk, in een mooie zaal in voorzieningenhart de Klif. Die gaven ons ook wel echt carte blanche.’

Ondanks dat de organisatoren flink wat publiciteit hadden gemaakt, zaten er meestal maar vijftien tot twintig mensen in de zaal. En vaak dezelfde gezichten, waaronder een clubje senioren. ‘Die hadden absoluut geen idee wat voor films er gedraaid werden. Dus als het een arthousefilm met veel seksscènes was, dan gingen de ooh’s en de aah’s over en weer.’ In zijn verklaring voor de geringe belangstelling verwijst hij naar de leefstijl van de Oosterhouters: ‘Tja, de meeste mensen hebben hier denk ik zo’n home cinemaset in de woonkamer staan, dus waarom zou je je huis nog uitkomen?’

Andere initiatieven slaan dan weer wel aan, zoals het wijkfeest ’15 jaar Oosterhout’, dat dit jaar op de avond voor Koningsdag werd georganiseerd in de Klif. De vijfhonderd kaartjes waren stijf uitverkocht. De publiciteit ging vooral via Facebook en affiches bij de voetbalvereniging, want op de wijkwebsite kijken te weinig mensen.

‘Iedereen roept hier om een kroegje,’ zegt een respondent uit Oosterhout. ‘Maar iedere vrijdagavond naar de kroeg is te veel. Als je de hele week werkt en met de kinderen in de weer bent en zaterdag naar opa en oma moet, dan ben je blij dat je op vrijdagavond even met de benen omhoog kan. Nee, één of twee keer per jaar zo’n wijkfeest, dat iedereen het in zijn agenda zet, dat past veel beter hier.’

Meet and greet
Voor de mensen die in nieuw opgeleverde woonblokken gingen wonen, was het maken van contact vaak eenvoudig. Je moet immers samen keuzes maken en je bent allemaal aan het klussen. Een beetje heibel met de aannemer heeft dan ook zo zijn voordelen: ‘Aanvankelijk liepen we tegen dezelfde problemen aan met de aannemer,’ zegt een vader van twee jonge kinderen. ‘Dus dan ga je met elkaar de krachten bundelen en dan ga je met elkaar borrelen. Dat bindt dan. Ik wilde een radiator in de garage, maar ik was te laat, want ze hadden de leidingen al gelegd. Maar bij de buren nog niet, dus die heb ik getipt. En dat gaat dan als een lopend vuurtje.’

Een moeder van twee kinderen die sinds de oplevering in een twee-onder-een-kap-woning woont, koestert de herinneringen aan de begintijd. Voor haar deur was het nog één grote zandvlakte, waar het nu helemaal is bebouwd. ‘Je kunt denken: je zit in een bouwput, maar het had zijn charme. De ouders gingen met elkaar beachvolleyballen, en voor de kinderen was die tijd ook super. Want je kon hutten bouwen en vuurtjes stoken.’

Een vader van drie kinderen verhuist later dit jaar naar een nieuw huis in een nog op te leveren straat in Oosterhout. ‘Binnenkort hebben we een meet and greet met alle nieuwe buren. Ik heb alvast een appgroepje gemaakt en daar wordt al heel wat afgekletst. ‘Eén buurvrouw is nogal een flapuit, die zet echt alles erop,’ zegt hij. ’Ah jochie! Dan kom je toch gezellig bij ons douchen!’ had de nieuwe buurvrouw in de app geantwoord op zijn zorgen over de wateraansluiting in zijn nieuwe woning.

Is er soms wat met mij?
Toch moesten veel mensen in het begin ook wennen aan het rustige leven in Oosterhout; zeker de mensen die na de begintijd naar de wijk kwamen en gewend waren aan het drukkere leven in de stad Nijmegen. ‘Stilte is leuk, maar hier is het soms wel erg stil,’ zegt een van hen. In de eerste weken had hij een hondje. ‘Een hond doet het altijd goed, net als de kinderen,’ zegt hij. ‘Bij het eerste gesprek is het makkelijk: waarom ben je hier komen wonen?, dat soort vragen. En het is pas bij het tweede of derde gesprek dat je denkt: kunnen wij vrienden worden? Loopt het leuk tussen onze partners en tussen de kinderen? Dat kost wat tijd.’

Voor een andere respondent werd het negatieve beeld dat zij van een nieuwbouwwijk had in het begin bevestigd. ‘Het was Kerstmis en ik was net bevallen van mijn tweede, dus ik zat de hele dag alleen met de baby thuis. Overdag was er niemand en pas ’s avonds stonden er weer auto’s. Het voelde onpersoonlijk, ik kende nog niemand. ‘s Avonds zat iedereen natuurlijk binnen - dat voelde toen wel eenzaam. Dus toen heb ik heel bewust hier in de wijk zwangerschapsgym gedaan om andere vrouwen te leren kennen.’ Die vrouwen konden later nog van pas komen, dacht zij toen al.

‘In het begin is het toch zoeken. Dan denk je: wat móét ik hier!’ zegt een andere vrouw uit Oosterhout. Ik ging dan wandelen met de baby, en als ik zag dat een buurvrouw ook een baby had, belde ik aan.’ In de jaren daarna werd het contact met de buren voor laatstgenoemde twee vrouwen steeds hechter.

Een andere respondent kwam pas later in Oosterhout wonen, toen de buurt al een tijdje af was en de pioniersjaren al voorbij waren. ‘In het begin was ik wat onzeker over het weinige contact. Toen dacht ik van joh, is er soms wat met mij? Dan betrok ik dat op mezelf. Maar nu vind ik het oké als mensen geen contact willen. Ik zoek mijn eigen mensen wel uit.’

Drie vrouwen die ik apart sprak typeren het sociale leven in Oosterhout juist als uitermate vriendschappelijk en gezellig. ‘Een paar jaar geleden was het helemaal erg, omdat het zo gezellig was in die straten,’ zegt een van hen. ‘Dan gingen de vaders en moeders bij elkaar koffie drinken en dan werd het net iets té gezellig.’ Het resultaat ligt achterin de wijk, waar volgens haar nu een buurtje met kleine huisjes wordt bevolkt door gescheiden mannen die nog wel in de buurt van hun kinderen willen zijn.

In een nieuwe serie blogs over de Vinexwijk, duiken we dieper in De Waalsprong, Nijmegen. Aflevering 3: In iedere tuin een ooievaar
Door: Yannick Sonne - 28 augustus 2015


Grote steden worden soms getypeerd als emancipatiemachines waarin jonge mensen uit de lagere klassen de kans krijgen via onderwijs en werk toe te treden tot de middenklasse. Mijn respondenten behoren al tot die middenklasse. In hun wijk staan het sociale leven en de voorzieningen voornamelijk in het teken van kinderen. Overal klinken hoge kinderstemmetjes en staan er speeltoestellen. In bijna iedere straat is er wel een originele variatie op de houten ooievaar in de grond geprikt, die omwonenden informeert over een nieuwe geboorte.

De twee voorzieningenharten, waar basisschool, bibliotheek, consultatiebureau en buurthuis onder een dak bij elkaar zitten, zijn voor bijna al mijn respondenten haast onmisbaar geworden. Oneerbiedig zou je de Waalsprong kunnen typeren als een opgroeimachine, waarin het verantwoord en veilig grootbrengen van kinderen centraal staat.

In juni ben ik op bezoek bij Nienke, een vrouw van in de dertig, die met Robert en hun drie kinderen in een koopwoning in Oosterhout woont, vlakbij de Klif, het voorzieningenhart van Oosterhout. ‘Ik roep altijd: wij zijn de standaardbewoners van Oosterhout,’ zegt Nienke.

De dagelijkse routines binnen haar gezin en hun wooncarrière vertonen inderdaad grote overeenkomsten met de andere bewoners die ik sprak. Net als de meeste anderen heeft Nienke als student in en rond het stadscentrum van Nijmegen gewoond. Waar Groningse studenten na hun studie weer elders in het land gaan wonen, blijven veel afgestudeerden in Nijmegen de stad trouw – gewoon, omdat het een erg prettige stad is om te wonen.

De stad ontgroeid
Toen zij merkten stedelijk Nijmegen te ontgroeien, hadden mijn respondenten best een beetje last van gemengde gevoelens. Terwijl ze het nog zo hadden geprobeerd, vertelt Nienke mij. Maar de babyfoon redde het net niet naar het restaurant, dus een oppas moest toch wel geregeld worden. En waar doe je het dan nog voor, wonen in het centrum?

Verhuizen dus. Maar een sprong over de Waal was zeker niet vanzelfsprekend. Voor sommigen, zoals voor Nienke, zat het negatieve imago van nieuwbouwwijken in de weg: ‘Ik dacht, dat is saai, onpersoonlijk. Standaard huizen en je kent er niemand.’

Maar voor de meesten viel het toen nog onbekende nieuwe stadsdeel simpelweg buiten de eigen horizon. Met stip op één op het lijstje favoriete verhuisbestemmingen stond dan ook een ander stadsdeel, namelijk Nijmegen-Oost. In Oost wonen veel mensen uit dezelfde sociaaleconomische groep als de bewoners van de Waalsprong. Dat stadsdeel werd voor de oorlog aangelegd en herbergt veel populaire jarendertigwoningen. Niet voor niets is Oost het duurst en komt de Waalsprong op de tweede plaats.

Maar Oost was soms financieel (net) niet haalbaar, of er moest nog van alles gebeuren aan de oude woningen. In de nieuwbouw van de Waalsprong kon je direct verhuizen. Voor hetzelfde bedrag kreeg je ook méér vierkante meters en een tuin. ‘Waar voor je geld!’ hoorde ik vaak.

Het gezin van Nienke ging ook eerst kijken bij een oud huis, maar dan in het oude dorp Oosterhout. Daar moest nog behoorlijk wat aan vertimmerd worden. ‘En daar sta je dan’ zegt Nienke, ‘zwanger van je tweede en met een peuter op je arm, en dan denk je: mijn god, wat een enorme klus! Dus toen hebben we voor de nieuwbouw gekozen.’ En dat was allemaal een stuk sneller geregeld: ‘We hebben de tent in één keer laten spuiten, laminaat erin gegooid en daarna stond ik bloemetjes te schilderen op de kinderkamer – klaar is Kees!’

Sinds hun verhuizing komen de meeste van mijn respondenten minder vaak in het stadscentrum van Nijmegen dan zij vooraf hadden gedacht - uiteindelijk speelt de vrije tijd zich voornamelijk in de wijk en in het nabije buitengebied af. Toch namen veel respondenten voorafgaand aan de aankoop van het huis nog even de proef op de som, om te testen hoe lang het nou fietsen is naar het centrum. Dat bleek maar een kwartiertje te zijn over de snelle nieuwe fietsbrug.

Zonder uitzondering beschouwen al mijn respondenten het stadscentrum dan ook als dichtbij. De Ovatonde Waalsprong, ook al zo’n typische VINEX-oplossing om de verleiding van het gebruik van de auto te ontmoedigen, wordt door een aantal van mijn respondenten gebruikt bij slecht weer. Hier parkeer je goedkoop je auto, en krijg je er een gratis een retourtje met de snelbus naar het centrum bij.

Gericht op de eigen wijk
Nienke is ZZP’er en coacht professionals, vooral in de bestaande stad. Dan zet ze onderweg de kinderen af op het schoolplein van de Klif en neemt ze daarna de snelle fietsbrug. Als ze meer tijd heeft, loopt ze mee naar binnen, want de kinderen willen altijd wel even laten zien wat ze allemaal hebben gemaakt. Robert, haar man, brengt de kinderen alleen op woensdag naar school. Hij moet eerder met de auto van huis weg, en werkt vier dagen in de week als onderzoeker in het midden van het land.

Waar sommige buren in de straat de opvang van de kinderen met elkaar delen, gaan de kinderen van Nienke twee dagen in de week naar de buitenschoolse opvang in de Klif. Informele opvang is er wel vaak ’s avonds, als Mieke en haar man bijvoorbeeld bij vrienden zijn uitgenodigd: ‘Dan gaat de babyfoon naar de buren. En als we weer thuis zijn, dan roepen we door de babyfoon: ‘we zijn thuis!’ en dan gaat-ie uit, en dan gaat-ie aan hun kant uit, en dan is het goed’.

Een deel van de bewoners komt veel minder vaak in de rest van Nijmegen, en concentreert zich op de wijk zelf en het nabije buitengebied. Rond de Waalsprong ligt landelijk gebied met dorpen als Bemmel en Elst. Dat zijn geliefde plekken om in het weekend even naartoe te fietsen voor een pannenkoek.

Veel respondenten rijden ook regelmatig even met de auto naar Elst, omdat het winkelaanbod daar veel beter is dan in de Waalsprong. In Lent is een Jan Linders-supermarkt, en in Oosterhout een Albert Heijn, maar Elst heeft meer te bieden. Je parkeert er makkelijk en het is er gezelliger. Zo vertelde een Oosterhouter en werknemer van de GEM Waalsprong (het ontwikkelbedrijf) mij, dat haar man haar soms plaagt met een variatie op een slogan die de GEM gebruikt: ‘De Waalsprong helemaal Nijmegen? De Waalsprong helemaal Elst!’

De namen uit deze bijdrage zijn gefingeerd.

In een nieuwe serie blogs over de Vinexwijk, duiken we dieper in De Waalsprong, Nijmegen. Aflevering 2: Een Vinexkerk voor Vinexproblemen
Door: Yannick Sonne - 25 augustus 2015


Twee kinderen verkopen biologische groente uit de regio, Fruitlaan (Oosterhout), zomer 2015. © Yannick Sonne

Eén van mijn respondenten is met een bijzondere opdracht naar de Waalsprong gekomen. Hij verhuisde vanuit Leidsche Rijn in Utrecht naar de Waalsprong omdat hij werd geroepen door God. Hij noemt zichzelf Kerkplanter, deze jonge en energieke man. Bij hem is geen spoor te bekennen van het toch wat grijze imago van de Nederlandse Gereformeerde Kerk. Hij kiest niet graag de gemakkelijke weg. Vorig jaar is hij met vrouw en drie kinderen oostwaarts getrokken om een nieuwe gereformeerde gemeenschap te bouwen in nog onontgonnen gebied.

In de Waalsprong wonen echte Vinexmensen - althans, als je puur kijkt naar de sociaaleconomische en demografische samenstelling van de bevolking. Mede door de aanwezigheid van een universiteit in de stad, zijn veel bewoners van de Waalsprong hoger opgeleid: 62 procent. Een groot deel van mijn respondenten heeft dan ook een studentenleven in Nijmegen achter de rug. Tweederde van de huishoudens woont in een koopwoning. En als je in de Waalsprong bij een willekeurig huis aanbelt, is de kans één op twee dat er opgroeiende kinderen wonen. Dit alles is natuurlijk geen nieuws, want dat was immers de beoogde doelgroep van deze wijk, die vooral door de markt is ontwikkeld.

Sociaaleconomisch en demografisch gezien lijkt de bevolking van de Waalsprong daardoor niet bepaald op die van de rest van Nijmegen. In Nijmegen als geheel is het aandeel gezinnen slechts half zo groot, domineert dankzij de universiteit de leeftijdscategorie twintigers en woont er een tamelijk normaal percentage senioren. In de Waalsprong domineren de leeftijdsgroepen van kinderen en hun ouders, en zijn de andere leeftijdsgroepen zwaar ondervertegenwoordigd. Ook verdienen Waalsprongers gemiddeld 10.000 euro per jaar meer dan het gemiddelde in de stad.

Bij Vinex denk je niet zo snel aan religie. ‘Tja,’ zegt de kerkplanter, ‘ze moeten veel ballen in de lucht houden, de mensen hier.’ Typische ’Vinex-troubles’, je kunt je er iets bij voorstellen. Hij somt op: ‘Allebei een baan, een sportclubje, een vriendengroep uit de studententijd, familie en dan ook nog het hele gezinsleven. Dan zit het al snel vol. Voor levensbeschouwing is dan geen tijd meer. Maar wat nou als het minder gaat binnen je relatie, of als je tegen andere problemen aanloopt? Dan kun je je best een beetje alleen voelen in een wijk als deze.’

Iedere maand organiseert hij daarom een kerkdienst, of, zoals hij en het groeiende bewonersnetwerk het noemen: ’citadelbijeenkomst’, vernoemd naar de middelbare school middenin de wijk waar de bijeenkomsten worden gehouden. Iedere maand heeft een eigen thema, zoals ’geen druk meer op de ketel’ of ’onbezorgd door het leven’.

Ook in de vorm is rekening gehouden met de jonge bevolking van de wijk: op het podium in de aula zijn geen orgel en preekstoel te bekennen. Wel een paar jongens met een drumstel, een elektrische gitaar en daarnaast een groot videoscherm. ’Soms zitten er wel 200 wijkbewoners, waarvan 50 kinderen. Veel zijn er niet eens religieus. Die komen ook voor het lekkere eten, of de goede gesprekken achteraf.’

Vooropgesteld: de meeste van mijn respondenten zijn tevreden over hun eigen leven en over de wijk waarin zij wonen. Maar ze verwijzen zo nu en dan ook naar problemen. Die zijn enerzijds verbonden met de levensfase van gezinnen met opgroeiende kinderen in het algemeen. Maar volgens mijn respondenten zijn die ook te herleiden tot de fysieke en sociale opbouw van dit type wijken. Neem de wijk Oosterhout. Van de twee wijken in de Waalsprong is de bevolking daar het meest homogeen (gezinnen en koopwoningen zijn hier dominant). Ook is de wijk ruim opgezet. Met de slogan ’Wonen in een groene omgeving,’ wil het ontwikkelbedrijf het suburbane karakter van Oosterhout benadrukken.

’Er wonen hier over het algemeen nette mensen,’ zegt een bewoner, die vooral de voordelen ziet van het wonen in een welvarende, suburbane omgeving. ’Als mensen hier de hond uitlaten, dan nemen ze keurig een zakje mee.’

Maar in de gesprekken met bewoners in Oosterhout komt het vermeende hoge aantal echtscheidingen en zelfdodingen geregeld naar voren. Veel respondenten hebben die ontwikkeling wel ergens opgevangen, en zoeken de verklaring in twee eigenschappen van het leven in Oosterhout. Die eigenschappen verwijzen rechtstreeks naar de intellectuele kritiek op de nieuwe Amerikaanse suburbs in de jaren 1950. Dat zijn het rustige openbare leven (‘die lange winters hier, de weinige verstrooiing in die donkere dagen, dan kun je je aardig opgesloten voelen’) en de schone schijn – ofwel: keeping up appearances.

’Je hoort wel eens dat er veel wordt gedaan alsof iedereen het goed heeft,’ zegt een vrouw die nu zeven jaar in Oosterhout woont. ’Maar achter gesloten deuren gaat het niet altijd even goed – vaak wordt de schijn opgehouden, zeggen ze dan.’ Ze vindt dit soort verhalen horen bij de ’kleinsteedse gemeenschap’ waarin ze woont.

’Het is tamelijk welvarend hier,’ vertelt een andere Oosterhouter bij wie ik langsga. ’Maar als het misgaat en je komt niet aan de bak, dan voel je je helemaal niet zo prettig in deze wijk. Het moet wel goed gaan.’ Geen van de respondenten lijkt die vermeende schone schijn erg te merken in het eigen dagelijkse leven. Het is een suburbane legende die de ronde doet.

In Lent hoorde ik niets over schone schijn. En ook niet over echtscheidingen of zelfdodingen. Niet dat die er niet zijn, maar kennelijk is dat verhaal daar minder belangrijk. De wijk is dichter bebouwd en de variatie tussen koop en huur is wat groter. Ook ligt het aandeel van andere huishoudensvormen, zoals alleenstaanden en jonge stellen zonder kinderen in Lent wat hoger.

’Stedelijk wonen in een dorps karakter,’ zo wordt het nieuwe Lent in de markt gezet. De bewoners uit Lent die ik sprak, wijzen naar andere problemen achter de voordeur, en wel van de groeiende groep nieuwe bewoners van sociale huurwoningen. Over deze groep spreken mijn respondenten in bedekte termen – ik moest vooral niet denken dat zij de huurders niet mogen. ’Ze zijn gewoon, tja, anders.’

Sommigen houden het dan ook alleen bij veranderingen in het aanzicht van de wijk (’betegelde voortuintjes vol met scooters en onkruid tot híér’). Maar een groot deel van de respondenten benoemt ook specifiek gedrag. Zoals de luide Nederlandstalige muziek die uit de achtertuinen schalt en de rust verstoort.

Die opmerkingen worden daarna ook weer gerelativeerd (’dan moet je maar in een dorp gaan wonen, als je totale stilte wilt’). Stilletjes wordt soms verlangd naar de beginjaren, toen de wijk homogener van samenstelling was. Maar een al te groot probleem vinden zij die verandering ook weer niet. Wel wordt met deze opmerking uitgedrukt dat men het prettig en vaak ook wel praktisch vindt om in een wijk te wonen waar de buren wat betreft levensfase en sociale positie lijken op henzelf.

In een nieuwe serie blogs over de Vinexwijk, duiken we dieper in De Waalsprong, Nijmegen. Aflevering 1: ’Bruggen tussen oud en nieuw’
Door: Yannick Sonne - 20 augustus 2015


Artist impression van de Waal in Nijmegen. Links: de Waalbrug. Midden: het (...)

Artist impression van de Waal in Nijmegen. Links: de Waalbrug. Midden: het nieuwe riviereiland Veur Lent. Rechts: het nieuwe stadsdeel De Waalsprong, Nijmegen-Noord. (© 2015 Gemeente Nijmegen & i-Lent)

Het is lente, en ik vaar mee met de Pannenkoekenboot over de Waal. Aan boord zijn bijna geen kinderen te bekennen, want om pannenkoeken draait het vaartochtje dit keer niet. We varen langs de beide oevers van het Nijmeegse deel van de rivier. Door de luidsprekers schalt de stem van Rob Jaspers, journalist bij de Gelderlander en één van de bekendste Nijmegenaren.

Aan de zuidelijke oever ligt het centrum van Nijmegen – historisch decor van de oude Romeinen, van het middeleeuwse verhaal Mariken van Nieumeghen en van het roemruchte anarchi​​sme in de jaren zeventig. Jaspers vertelt alsof hij de tram moet halen, want er is nogal wat gaande in en rond de rivier. Beide oevers en de Waal zelf ondergaan een indrukwekkende facelift. Meer ruimte voor de rivier moet de stad behoeden voor natte voeten. En aan de noordoever verrijst een geheel nieuw stadsdeel: de Waalsprong.

Dat gebied boven de rivier is één van de aangewezen locaties uit de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (VINEX). De bouw startte eind jaren negentig en moest de grote vraag naar woningen opvangen. Voor bewoners van de nieuw te bouwen wijk zou het centrum aantrekkelijk dichtbij zijn. Juist dat was één van de belangrijke doelen van de Vierde Nota: mensen moesten zoveel mogelijk op de fiets naar de bestaande stad kunnen om te werken en voor al die andere dingen waarvoor een stadscentrum bedoeld is.

Tot die tijd durfde niemand te investeren in nieuwe verbindingen over de Waal, en werden nieuwe wijken altijd ten zuiden van het centrum gebouwd. Zo kon het gebeuren dat het stadscentrum niet bepaald centraal in de stad ligt. Met een nieuwe wijk in het noorden kan het centrum weer centraal stadshart worden. De grootschaligheid en ambitie van het nationale VINEX-masterplan maakte dat ineens allemaal mogelijk.

Op de boot worden de pannenkoeken geserveerd terwijl we onder de oude Waalbrug doorvaren, vroeger hoofdrolspeler tijdens de bevrijdingsslag op de Duitsers, nu belangrijke verbinder van oud- en nieuw-Nijmegen. Rob Jaspers schudt de ene na de andere anekdote over de oorlog en de bouwwerkzaamheden uit zijn mouw.

Dan keert de Pannenkoekenboot, en varen we langs de nieuw gegraven nevengeul en het pal tegenover het stadscentrum liggende ’Veur Lent’. Dit nieuwe riviereiland moet het visitekaartje van de Waalsprong worden. We varen verder, onder de oude spoorbrug door. Aan de spoorbrug werd in 2004 een fietssnelweg vastgekoppeld, die de bewoners uit de nieuwe Vinexwijk vlug het centrum in moet brengen.

Het laatste pronkstuk van de rondvaart komt pas als de pannenkoeken op zijn, en we afstevenen op een tweede nieuwe verbinder van oud- en nieuw-Nijmegen: de onlangs opgeleverde futuristische autobrug ’De Oversteek’.

Al die bruggen brengen je van de historische stad naar Vinexland, waar nu ongeveer 14.000 mensen wonen. Die nieuwe bewoners van de Waalsprong wonen vooral in twee wijken die al afgebouwd zijn: Oosterhout in het westen en Lent in het oosten van het gebied.

Rondom deze wijken ligt niemandsland te wachten op verdere ontwikkeling. Want van alle VINEX-locaties in het land ligt de Waalsprong het verst achter op schema. Dat komt omdat in de eerste tien jaar van de ontwikkeling de Wet van Murphy geldt: eerst moet de bouw worden stilgelegd vanwege een nieuwe milieurapportage. Vervolgens moeten ontwerpers terug naar de tekentafel vanwege de door het Rijk geplande dijkteruglegging. En tot slot volgt in 2008 de crisis.

Het gevolg: de vraag naar woningen keldert, de ontwikkeling stokt en de gemeente blijft achter met de rekening. Hoewel de ambities daarna flink worden teruggeschroefd, is de draad inmiddels weer opgepakt en wordt op dit moment gestaag verder ontwikkeld.

In maart fiets ik voor de eerste keer de brug over. Over de rivier, het nieuwe riviereiland, de basaltblokken van de nieuwe dijk, en langs het door Nijmegen ingelijfde oude dorp Lent. Rechts van de spoordijk ligt ruig niemandsland met graafmachines, nog af te bouwen hoofdwegen, grasland en heel veel zand.

Het is een winderige vroege lentedag, waarop donkere wolken met buien snel voorbijtrekken en dan weer ruimte laten aan de zon. Aan de horizon, achter de rivierdijk, aan de overkant van de Waal de rokende pijpen van energiecentrale GDF Suez. Een groter contrast met de stille opgeruimdheid van het nieuwe Oosterhout en Lent, waar ik daarna doorheen fiets, is haast niet denkbaar.

In de afgelopen maanden waren de nieuwe bewoners van de Waalsprong mijn onderzoeksobjecten. Twee dingen wilde ik weten. Allereerst wilde ik de bewoners van de Waalsprong leren kennen. Wie zijn die mensen, die de sprong over de Waal aandurfden? Waar komen ze graag? Hoe ziet het leven van alledag eruit?

En ik wilde weten of het voornemen uit de Vierde Nota om de nieuwe en de oude stad op allerlei vlakken met elkaar te verbinden is uitgekomen. Nieuw en oud worden immers van elkaar gescheiden door één van de grootste rivieren van Europa. Wonen er andere mensen in nieuw dan in bestaand Nijmegen? Komen de mensen uit Nijmegen-nieuw vaak in Nijmegen-oud, en voelen ze zich ook trotse Nijmegenaars? Of ontwikkelt zich, daar boven de rivier, een nederzetting die in het dagelijks leven en ook in de harten van mensen losstaat van Nijmegen?

Stomtoevallig werd de Waalsprong deze maand ineens nationaal nieuws. De Volkskrant trok de hele voorpagina uit voor een voornemen van de gemeente dat de gemoederen in het stadsdeel al een tijdje bezighoudt. Meer hierover in mijn zesde en laatste blog. In de volgende aflevering leren we eerst de Waalsprongers wat beter kennen.

De 19 onderzoekers die namens De Vinexmensen in 8 verschillende Vinex-wijken onderzoek doen, houden ons via blogs op de hoogte van hun vorderingen. Vandaag aflevering 10: Duurzame wijk, duurzame bewoners?
Door: Bas Hendrikse en Fabian Koning - 17 augustus 2015


Wij hebben de Stad van de Zon in Heerhugowaard vooral in de zomervakantie bezocht. Gedurende deze weken heeft de wijk zijn naam zeker eer aangedaan. Ondanks de vakantie lopen er onder de thuisblijvers hier en daar wat mensen over straat. Wat dat betreft is de zomervakantie een goede periode om naar de wijk te komen, in tegenstelling tot een doordeweekse dag in de meivakantie, toen er helemaal niemand te bekennen was.

Het valt op dat de mensen op straat bijna altijd vergezeld worden door een hond of een kinderwagen. De Stad van de Zon is een relatief nieuwe wijk, met veel jonge gezinnen.

Het duurzame karakter van de Stad van de Zon is goed te herkennen aan de zonnepanelen en de windmolens die de wijk emissieneutraal maken. Busladingen Japanners komen met hun fotocamera’s naar de wijk om dit stedenbouwkundig project te zien en vast te leggen.

Na een beetje rondvragen blijkt dat de Vomar supermarkt hier ook zijn steentje aan bijdraagt. De winkel maakt gebruik van aardwarmte, en de bevoorrading vindt plaats in een afgesloten terp om zo min mogelijk energie te verspillen. Dat maakt deze winkel tot de meest duurzame Vomar.

De voorzitter van het wijkpanel vertelde daarnaast dat de waterhuishouding helemaal zelfregulerend is. Kortom, in deze wijk wordt hard gewerkt aan een duurzaam karakter. Dit maakte ons nieuwsgierig naar de bewoners. Wonen er in deze duurzame wijk ook duurzame bewoners?

Het is niet heel makkelijk om een antwoord op deze vraag te krijgen in de Stad van de Zon. Veel mensen blijken het net erg druk te hebben op het moment dat we aanbellen. Het afnemen van het interview op een ander moment is ook lastig, omdat sommigen continu druk zijn met ‘in de tuin zitten.’

Gelukkig geldt dit maar voor een deel van de bewoners, er zijn er ook een aantal die wel even tijd willen maken voor ons. Het valt op dat het vooral vrouwen zijn die open doen als je overdag aanbelt in deze wijk. De huishoudens bestaan namelijk vooral uit tweeverdieners, waarvan de vrouw parttime werkt.

De meeste bewoners geven aan niet meer of minder met duurzaamheid bezig te zijn als bewoners van een gemiddelde andere wijk:

“Als het kan scheid ik mijn afval, maar als het praktisch niet uitkomt gooi ik alles in de grijze bak.”

“Ik ben wel voor duurzaamheid, alleen de producten zijn veel duurder daarom koop ik het meestal niet.”

“De zonnepanelen zaten erbij en dat vind ik prima, maar extra panelen hoef ik niet.”

“Ik weet dat de wijk bekend staat om duurzaamheid, maar zelf ben ik daar helemaal niet mee bezig.”

Daarentegen zijn er ook bewoners die meer waarde aan duurzaamheid hechten:

“We hebben een Hello fresh-box en mijn vriend heeft een hybride auto gekocht dus waar het kan houden we er rekening mee.”

“Ik scheid mijn afval zoveel mogelijk, het plastic hang ik elke twee weken aan de lantaarnpaal.”

“Ik heb net boodschappen gedaan bij de Turkse toko in Alkmaar mede omdat de producten daar duurzamer zijn.”

Toch heeft het thema duurzaamheid niet de overhand in het dagelijks leven van bewoners. Ze houden zich meer bezig met alledaagse dingen als parkeerproblematiek, de kwaliteit van de producten in de Vomar, de verloedering van het straatbeeld door plastic zakken aan de lantaarnpalen en het gebrek aan speelplekken voor jonge kinderen in bepaalde delen van de wijk.

Als je bewoners vraagt om hun wijk te omschrijven komen ze vrijwel allemaal met de volgende kenmerken: ruim opgezet, kindvriendelijk, veel water en groen, goede basisvoorzieningen. Kortom, een fijne plek om te wonen. Ons beeld van de Stad van de Zon is dat het stedenbouwkundig een unieke wijk is, die wat betreft duurzaamheid niet sterk afwijkt van een typische nieuwbouwwijk met veel jonge gezinnen.

De 19 onderzoekers die namens De Vinexmensen in 8 verschillende Vinex-wijken onderzoek doen, houden ons via blogs op de hoogte van hun vorderingen. Vandaag aflevering 9: ’Eén boomspiegel alstublieft’
Door: Tiemen Koch - 24 juni 2015


Parfum en zweetlucht verdringen de aromatische koffiegeur in de Espressofabriek aan de IJburglaan. Is dit typisch IJburg: bakfietsende, twee keer modaal verdienende en waar-de-zon-niet-schijnt zonnebrildragende moeders?

Die vraag wordt op die bewuste woensdagochtend niet beantwoord in de Espressofabriek, de zaak zit simpelweg te vol. Mijn interviewafspraak moet ik noodgedwongen verplaatsen naar de Bagels & Beans, amper een kilometer verderop aan dezelfde weg. Een afstand waar ik normaal mijn neus niet voor ophaal wordt een opgave. Struikelend over bakfietsen kan ik in ieder geval vaststellen dat dit vervoermiddel kenmerkend is voor IJburg.

Een week eerder was ik in gesprek met de participatiemakelaar op IJburg. Centraal in het gesprek stonden de bewonersinitiatieven, iets waar in tegenstelling tot de groenvoorziening op IJburg geen tekort aan is. Via het online platform HalloIJburg had ik zelf al een lijst opgesteld met initiatieven als POP-IJ, CantorIJ, IJtopia, IJlife en IJsburg. Enfin, met de combinatie van de letters I en J lijkt succes verzekerd. Toen ook nog eens ter sprake kwam dat IJburgers dolgraag de boomspiegels (zie foto) inrichten, had ik het al begrepen: IJburg ruikt naar zelforganisatie en is misschien wel hét voorbeeld van de participatiesamenleving.

Naast de boomspiegels zijn de vooralsnog lege kavels een belangrijk doelwit van de moestuinende IJburger. Moes32 is waarschijnlijk de meest bekende moestuin. Opmerkelijk genoeg begon het initiatief met zeventig bakken en was het van meet af aan nodig een wachtlijst op te stellen. De eigenaar van de kavel werpt echter roet in het zelfverbouwde eten, aangezien de plannen voor de bebouwing rond zijn.

Maar wie zijn nu de drijvende krachten achter die bewonersinitiatieven?

Dat blijken de relatief hoog opgeleide bewoners te zijn, met een relatief groot sociaal netwerk, sterke sociale vaardigheden en een cultureel blanke achtergrond. Na mijn hordeloop over de bakfietsen spreek ik in de Bagels & Beans met één van de ‘founding fathers’ van bewonersinitiatieven op IJburg. Een degelijk initiatief opzetten vergt meer dan een goed idee, blijkt uit zijn verhaal. Zo is er een persoonlijke klik nodig, moet je tevens in staat zijn mensen voor jouw droom te mobiliseren, en is diplomatieke handigheid een pre. Daarnaast speelt een dosis geluk ook een rol. De term ‘founding fathers’ is overigens niet toevallig gekozen. De meeste en tevens succesvolle bewonersinitiatieven op IJburg vinden namelijk hun oorsprong in de netwerkbijeenkomsten van IJburgDroomt-IJburgDoet.

Wanneer een selecte groep mensen, die elkaar veelal bij voornaam kent, zich als initiatiefnemer opwerpt, handelen zij dan wel in het belang van alle buurtbewoners? Het lijkt haast onmogelijk dat bewonersinitiatieven de hele buurt dienen, omdat de meeste initiatiefnemers in eerste instantie in eigen veilige kring opereren.

Wel zijn er voorbeelden van initiatieven als de FlexBieb en de Boerderij op IJburg die de sociale drempel willen verlagen en meer mensen erbij willen betrekken. Iedereen is welkom, niemand wordt buitengesloten, is het motto. Of dit in de praktijk echt zo is, moet nog nader onderzocht worden. Op het eerste oog is mij wel duidelijk geworden dat de Amsterdamse ons kent ons-mentaliteit ook op IJburg voet aan wal heeft gezet.

De 19 onderzoekers die namens De Vinexmensen in 8 verschillende Vinex-wijken onderzoek doen, houden ons via blogs op de hoogte van hun vorderingen. Vandaag aflevering 8: IJburg, gelukkig gemengd?
Door: Pepijn Hofstede - 15 juni 2015


Amsterdamse beleidsmakers en stadsplanners hebben sociale menging al tijden hoog in het vaandel staan. Amsterdam zou een ongedeelde stad moeten zijn met wijken voor jong en oud waar mensen met verschillende economische, sociale en culturele achtergronden in harmonie met elkaar samenleven. Gesteld wordt dat ’wanneer er meer contact en interactie tussen bewoners van verschillende achtergronden plaatsvindt, het aannemelijk is dat mensen elkaar beter begrijpen en wellicht nog iets van elkaar opsteken’. Dit zou positieve gevolgen hebben voor integratie, sociale mobiliteit en daarmee ook een middel zijn om segregatie, armoede, en de daarmee geassocieerde problematiek tegen te gaan.

Op basis van dergelijke veronderstellingen zijn bij de bouw van IJburg sociale huurwoningen en koopwoningen afgewisseld om een gevarieerd woningaanbod te realiseren, met als doel een sociaal en cultureel diverse, betrokken bewonersgroep aan te trekken. Niet alleen werden hele straten en blokken koopwoningen afgewisseld met straten en blokken sociale huurwoningen, ook is er ‘fijnkorrelig gemengd’. In sommige complexen wisselen sociale huur, vrije sector huur en koopwoningen elkaar af. Woningen van verschillende prijsklassen, grootte, en luxe zitten dwars door elkaar.

Gebaseerd op ervaringen uit het verleden, in nieuwe en bestaande wijken, is er op IJburg voor gekozen om het op deze manier te doen. Maar de laatste jaren is er ook een kritisch tegengeluid gekomen: sociale mening zou bij een hoop projecten juist voor meer spanning zorgen onder de bewoners. Ook in de context van IJburg, waar in iets meer dan 10 jaar tijd duizenden mensen bij elkaar zijn komen te wonen, is het maar de vraag of het mengen van dergelijke sociale, culturele en economische verschillen goed uitpakt.

De missie waarmee ik op pad gegaan ben, is dan ook om inzichten te verkrijgen in lokale sociale menging in een nieuwe stedelijke context. Met andere woorden: Werkt lokaal mengen als de verschillen tussen bewoners groot zijn? En specifiek als er weinig gewortelde opvattingen zijn over ‘nabuurschap’, opvattingen over hoe je te gedragen in publieke ruimte, en opvattingen over waar publieke en semi-publieke ruimte voor bestemd zijn? En hoe zit het met onderling vertrouwen, of sociale controle? Hoe wordt dit ervaren? En hoe gaan bewoners hier mee om?

Vanuit deze interesse ben ik de afgelopen periode de wijk ingegaan. Dit heeft een grote hoeveelheid informatie opgeleverd over de verschillende opvattingen en attitudes van de bewoners. Waar de een waarde hecht aan lokale voorzieningen en levendigheid, wil de ander vooral rust, ruimte en natuur. Waar de een zich nog nooit zo veilig gevoeld heeft, gaat de ander zelden alleen de straat op in het donker. Waar de een wil dat de kinderen spelen voor de deur, wordt de ander gek van alle schreeuwende koters. Van bewoners die praktisch naast elkaar wonen lijken de leefwerelden soms mijlenver uiteen te liggen, toch gaat het in de dagelijkse praktijk vaak prima samen. In mijn verdere analyse zal ik ingaan op de onderliggende mechanismen die hier aan het werk zijn.

De 19 onderzoekers die namens De Vinexmensen in 8 verschillende Vinex-wijken onderzoek doen, houden ons via blogs op de hoogte van hun vorderingen. Vandaag aflevering 7: Leidsche Rijn, veel gevarieerder dan je denkt
Door: Iris Leeuwerink - 9 juni 2015


Mijn onderzoek doe ik onder allochtone bewoners van Leidsche Rijn, de Vinex-wijk bij Utrecht. Ik was van te voren niet erg bekend met Vinex-wijken en ik moet eerlijk toegeven dat ook ik vooroordelen had. Dat Leidsche Rijn een multiculturele stedelijke wijk zou zijn, had ik bijvoorbeeld niet verwacht.

Ik had natuurlijk wel vaker nieuwbouwwijken gezien, maar zo groot als Leidsche Rijn nog nooit. Wat ik opmerkelijk vond, was dat het een groot gebied is dat voornamelijk op wonen is gericht, met uitgestorven straten. Op die schaalgrootte en zo dichtbij de stad zou je dat niet verwachten. Het centrum van Utrecht is tenslotte op 20 minuten afstand.

Zo op het eerste oog, lijkt er niet veel te doen. Toch vertelden een aantal van mijn respondenten dat zij hun vrije tijd vooral in Leidsche Rijn doorbrengen. Volgens hen is er genoeg te doen, er zijn bijvoorbeeld veel sportclubs.

Ik heb echter ook negatieve reacties gehoord. Een jonge vrouw met baby vertelde mij dat ze het ‘verschrikkelijk vond’. Zij wilde zo snel mogelijk weg. Terug naar Amersfoort waar zij altijd gewoond had. De verhuizing naar Leidsche Rijn was voor haar geen succes.

Daarentegen sprak ik ook iemand die al 15 jaar en dus vanaf het begin in Leidsche Rijn woont, en zij voelt zich er helemaal thuis. Ook al was er toen nog niet veel. Leidsche Rijn is behoorlijk uitgedijd in de afgelopen jaren. En nog steeds wordt er gebouwd. Bij het treinstation Utrecht Leidsche Rijn zijn bijvoorbeeld alleen maar hijskranen te zien en is er nog bijna geen gebouw voltooid.

De bewoners bestaan niet alleen uit jonge gezinnen. Er zijn ouderen, alleenstaanden, echtparen, stelletjes zonder kinderen: alles is te vinden in de Utrechtse Vinex-wijk. Zo ook mensen van uiteenlopende etnische afkomst. Deze Vinex-wijk is dus zeker niet eentonig. Zoals een aantal van mijn respondenten zeiden: ‘het is een afspiegeling van de samenleving’.

Er zit ook veel variatie in de mate van binding met de wijk. De ene woont er alleen en doet er verder niks, behalve boodschappen. De ander heeft een breed sociaal netwerk in de buurt en vindt dat ook belangrijk. Een aantal mensen geeft echter aan dat menging met autochtone Nederlanders moeilijk gaat door de cultuurverschillen. Ook hebben sommigen last van de slechte beeldvorming van de wijk, waarin de media een grote rol speelt. Ditzelfde hebben ze ook gemerkt bij sommige van hun autochtone buurtbewoners.

Er zijn ook mensen van allochtone afkomst die wat dichter bij de Nederlandse (of Westerse) cultuur staan en die zich dus wat meer mengen met autochtone Nederlanders. Dit komt denk ik voornamelijk doordat zij hoger zijn opgeleid en de mogelijkheid hebben gehad om een woning te kopen. Als je een woning koopt heb je toch wat meer keuze in waar je gaat wonen dan wanneer je op sociale huurwoningen moet reageren in de hoop ergens terecht te kunnen. Toch zijn er wel mensen in een sociale huurwoning die bewust voor de rustige, groene Vinex-wijk hebben gekozen en mogelijk ook voor het type bewoners: veelal jonge gezinnen met hoger opgeleide ouders.

Binnen Leidsche Rijn zijn er echter veel verschillen tussen de buurten en er zijn weinig mensen die in alle buurten van deze Vinex-wijk komen. Kortom, Leidsche Rijn is een diverse Vinex-wijk, met typische karaktereigenschappen van een Vinex-wijk, maar ook meer stedelijke kenmerken.

De 19 onderzoekers die namens De Vinexmensen in 8 verschillende Vinex-wijken onderzoek doen, houden ons via blogs op de hoogte van hun vorderingen. Vandaag aflevering 6: Vathorst, een wijk om te beleven!
Door: Jelke Bosma - 5 juni 2015


In mijn onderzoek naar Vinex-wijk Vathorst maak ik gebruik van de theorie van de Franse socioloog Henri Lefebvre. Hij stelde dat ruimte niet als een container moet worden gezien waarbinnen mensen hun leven leiden en objecten hun plek hebben, maar dat de ruimte sociaal gevormd of geproduceerd wordt. Dat geldt voor ruimte op verschillende schaalniveau’s: van huishoudens tot steden tot landen.

De productie van ruimte vindt volgens Lefebvre plaats door een samenspel van drie verschillende invloeden. Ten eerste spelen fysieke, ruimtelijke handelingen een belangrijke rol, zoals de bouw van woningen. Daarnaast dragen rationele overwegingen en kennis bij aan het ontstaan of de verandering van ruimte, bijvoorbeeld financiële overwegingen van grondeigenaren of de gemeente. Tot slot draagt de betekenis van ruimte bij aan de vorming, door bijvoorbeeld beelden en verhalen aan ruimte te koppelen.

Op 15 april jongstleden organiseerde het Ontwikkelingsbedrijf Vathorst (OBV) in samenwerking met architectuurcentrum FASadE een mini-symposium over Vathorst. Wat mij opviel tijdens het symposium was de rol van het Ontwikkelingsbedrijf Vathorst. In die rol komen alle drie de bovengenoemde aspecten duidelijk naar voren. Ik zal ze stuk voor stuk kort uitleggen.

De fysieke, ruimtelijke activiteiten van het OBV zijn makkelijk herkenbaar. Het OBV geeft opdracht tot allerlei praktische handelingen die maken dat Vathorst ontwikkeld wordt, zoals het bouwrijp maken van grond, de aanleg van infrastructuur en de bouw van het winkelcentrum. Daarmee dragen ze bij aan de materiële werkelijkheid van Vathorst, aan de ruimte die iedereen kan zien en waar je doorheen kunt lopen.

Maar die fysieke handelingen staan niet op zichzelf, ze worden gedreven door een bepaalde rationaliteit. Om ruimte te kunnen ontwikkelen, is het nodig om kennis over ruimte te hebben. Het OBV is een vorm van publiek-private samenwerking en wordt daardoor gedreven door zowel de belangen van de gemeente als die van ontwikkelaars die deel uitmaken van het consortium. Beide partijen gebruiken de ruimte of grond in Vathorst om bepaalde doelen te verwezenlijken.

Om dat mogelijk te maken wordt een mentaal, conceptueel beeld van ruimte gevormd, een representatie van ruimte. Die kan uitgewerkt worden in de vorm van bijvoorbeeld kaarten en rekenmodellen. Dat beeld, in feite kennis van de ruimte, maakt het mogelijk om de wijk te besturen of ruimte te verkopen.

Een duidelijk voorbeeld hiervan kwam naar voren tijdens de fietstocht voorafgaand aan het symposium. Onderweg werd verteld over noodzakelijke wijzigingen van grondexploitaties en plannen om bepaalde ontwikkelingen mogelijk te maken. Die kennis over ruimte is niet zichtbaar als je gewoon door de wijk fietst, maar draagt wel degelijk bij aan de vorming van ruimte in Vathorst.

Naast de vorming van kennis over ruimte draagt het OBV ook bij aan de productie van betekenis van ruimte. Dat gebeurt door beelden, symbolen of verhalen aan de ruimte te koppelen. Opvallende voorbeelden daarvan zijn de filmpjes die het OBV liet zien op het symposium. Daarin komen ‘bevlogen bewoners’ van Vathorst aan het woord. Deze filmpjes representeren Vathorst als een plek waar bewoners zich thuis voelen en de kans krijgen hun leven te leiden.

Soortgelijke betekenisgeving is ook zichtbaar in het volgende citaat, afkomstig uit de uitnodiging voor het symposium:

Vathorst heeft zich ontwikkeld van een VINEX-opgave op de tekentafel, naar een volwaardige woonwijk waar ruim 20.000 mensen met plezier wonen, werken en vooral hun leven (be)leven!

De tweede helft van de zin roept het beeld op dat bewoners daar met plezier wonen. Het is blijkbaar zelfs een belevenis te leven in Vathorst.

De vorming van Vathorst omhelst dus veel meer dan alleen het daadwerkelijke bouwen van de wijk. Ook in het aantrekken van toekomstige bewoners komen de drie aspecten van ruimtelijke productie naar voren. Zij worden verleid te komen wonen in Vathorst door zowel materiële zaken (zo aantrekkelijk mogelijke woningen), door rationele overwegingen en kennis over ruimte (zichtbaar in bijvoorbeeld een aantrekkelijke prijs voor die woning) en beelden van Vathorst. Het thema van Amersfoort Vathorst is misschien wel een van de duidelijkste voorbeelden van betekenisgeving van ruimte: ’Een wereld van verschil’.

Jelke Bosma is student planologie & sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam.

De 19 onderzoekers die namens De Vinexmensen in 8 verschillende Vinex-wijken onderzoek doen, houden ons via blogs op de hoogte van hun vorderingen. Vandaag aflevering 5: Koolhoven, een Vinex-dorp in de stad
Door: Marieke Ekenhorst, Thomas Kuijpers en Nino de Maat - 2 juni 2015


Een vrijdagavond begin mei. De sprinter vanuit Den Bosch brengt ons opnieuw naar Station Tilburg-Reeshof. Vandaag reizen we naar Koolhoven om enquêtes aan te bieden aan buurtbewoners. Koolhoven is een van de negen buurten die samen De Reeshof vormen: een grote uitbreidingswijk in het westen van Tilburg, die in de jaren tachtig is opgezet en waar tegenwoordig meer dan 40.000 mensen wonen.

Net als Witbrant is Koolhoven een buurt die gebouwd is volgens de uitgangspunten van Vinex. En net als Witbrant ligt Koolhoven ten zuiden van de spoorweg. Waar de twee buurten echter sterk in verschillen - zo ontdekten we enkele maanden geleden toen we voor het eerst in De Reeshof waren - is dat Koolhoven veel meer dan Witbrant geïsoleerd ligt ten opzichte van de Reeshof.

De Reeshofweg leidt vanaf het station namelijk onder het spoor door naar een rotonde. De linkerafslag leidt naar de weg die direct Witbrant in gaat. De afslag rechtdoor leidt naar de rest van de Reeshofweg en uiteindelijk naar een T-splitsing met de Bredaseweg. De afslag naar links, die zou moeten leiden naar Koolhoven, is nooit gebouwd. Hierdoor moeten automobilisten rechts afslaan op de eerder genoemde T-splitsing, dan naar links afslaan en via de Bredaseweg en de N260 rijden om de buurt te kunnen bereiken. Dat is toch nog een kilometer of vier omrijden vanaf het station.

Op een bijeenkomst van De Vinexmensen afgelopen februari hoorden we van een stedenbouwkundige die in De Reeshof woont dat Koolhoven door deze geïsoleerde ligging een heel eigen karakter kent. Als Reeshovenaren vertellen waar ze wonen, zullen ze meestal niet de formele naam van hun buurt gebruiken, die weten ze namelijk vaak niet. Ze wonen in de ‘B-buurt’, waar alle straatnamen met de letter B beginnen of in de ‘M-buurt’ waar, inderdaad, alle straatnamen met een M beginnen, in plaats van in Gesworen Hoek of in Tuindorp de Kievit. Reeshovenaren wonen echter niet in de V-buurt, volgens de stedenbouwkundige. Nee zij zijn Koolhovenaar en wonen in Koolhoven.

Een andere deelnemer aan de bijeenkomst van De Vinexmensen zei dat Koolhoven een actieve en sterk verbonden gemeenschap is, waar bewoners elkaar kennen en samen veel activiteiten organiseren. Eigenlijk is het geen nieuwbouwbuurt in de stad, maar een dorp.

Wel een dorp dat afhankelijk is van de rest van De Reeshof voor veel voorzieningen, zo leerden we tijdens ons eerdere bezoek. Koolhoven heeft wel een basisschool, maar voor bijvoorbeeld boodschappen moeten de inwoners naar een van de winkelcentra in De Reeshof, wat dus best een flinke afstand is.

Wij als studenten sociale geografie aan de Universiteit Utrecht, vragen ons dan ook af in hoeverre de inwoners van Koolhoven zich verbonden voelen met hun buurt. Voelen zij zich sterk verbonden met de buurt juist omdat het zo geïsoleerd ligt? Of zorgt de geïsoleerde ligging er juist voor dat mensen veel tijd buiten de buurt doorbrengen en zich daardoor niet verbonden voelen met de buurt?

Middels een enquête waar onderwerpen als sociale contacten in de buurt, deelname aan buurtactiviteiten en identificatie met de buurt aan bod komen, hopen wij het antwoord op deze vragen te vinden.

De 19 onderzoekers die namens De Vinexmensen in 8 verschillende Vinex-wijken onderzoek doen, houden ons via blogs op de hoogte van hun vorderingen. Vandaag aflevering 4: Een verwarrend begin
Door: Yvette van Piggelen, Louise Prins en Mark Huisjes - 29 mei 2015


Onderzoek doen als bachelor student: uitdagend en interessant, maar zeker ook heel verwarrend. Als beginnende onderzoeker is het lastig om te weten hoe het proces van een onderzoek in elkaar steekt. Een betere vraag die gesteld kan worden is: waar te beginnen?

Die vraag bleek namelijk zeer lastig te beantwoorden. Door teveel enthousiasme kan het gebeuren dat de enquêtevragen al klaar zijn, terwijl het conceptueel model en theoretisch kader nog eens goed aangescherpt moeten worden. Het lijkt allemaal zo eenvoudig, maar we hebben geleerd dat dit niet altijd zo is. Wat ook niet altijd helpt, is gezamenlijk vergaderen over de volgende stappen in het onderzoek. Teveel praten leidt immers niet altijd tot het stellen van gewenste doelen. Er werd eigenlijk vooral vaak om de kern heen gepraat, en zo ben je snel al weer een week verder.

Het is nu mei, en wij zijn met het onderzoek gestart in februari. Zoveel maanden waarin soms naar ons gevoel weinig is gebeurd omtrent het onderzoek. Deze week is eindelijk eens anders dan de andere. Het fundament ligt er, we kunnen eindelijk de wijken in Almere- Buiten gaan verkennen. In gesprek gaan met ondernemers, met bewoners, maar vooral veel zien! De bijgevoegde foto beschrijft het best wat wij de laatste paar weken hebben gedaan. Inventarisatie was voor ons het belangrijkste, en we kunnen zeker zeggen dat wij die zeer uitgebreid hebben uitgevoerd, ook al leek het soms wel eeuwen te duren.

Eindelijk hebben we het gevoel dat er vaart in ons onderzoek komt. We hebben ons ingelezen en vooral heel veel geschreven. Misschien gingen wij er van uit dat het einde van het onderzoek het meeste werk zou worden, maar we hebben ons vergist. Dat is namelijk het begin. En dat is best verwarrend.

De 19 onderzoekers die namens De Vinexmensen in 8 verschillende Vinex-wijken onderzoek doen, houden ons via blogs op de hoogte van hun vorderingen. Vandaag aflevering 3: "Ik woon niet in een Vinex-wijk hoor"
Door: Oscar Leemhuis - 27 mei 2015


Het was dinsdag 21 april 2015 toen ik voor de derde keer naar Vinexwijk de Stad van de Zon in Heerhugowaard ging om interviews af te nemen met bewoners. Ik drukte op een bel van wat ik dacht dat een huurappartement was.

“Goedemiddag, ik ben Oscar Leemhuis en ik doe voor mijn bachelorscriptie een onderzoek naar de Stad van de Zon…”
“Ho, ho”, klonk een hoogbejaarde stem aan de andere kant van de deur. “Ik doe hier niet aan mee, ik doe geen onderzoeken”. “Oké bedankt, dan ga ik het verder proberen.”

Er is mij gevraagd een blog te schrijven over het dagelijks leven van een onderzoeker in een Vinex-wijk. Hierboven beschrijf ik een bovengemiddeld goede dag. Er gaf tenminste iemand antwoord, zo sprak ik mijzelf moed in.

Na een uur te hebben rond gefietst in een wijk waar je ook in een kwartier omheen kan fietsen, besloot ik het opnieuw te proberen. Nu bij een vrijstaand koophuis met een mooie tuin en een tweede auto voor de deur. Er was iemand thuis. “Ja ik wil wel mee werken, maar ik heb nu geen tijd. Ik moet de kinderen over vijf minuten van school halen”. “Kunnen we dan misschien een afspraak maken?”

Om half vier had ik een interviewafspraak met een mevrouw in een groot huis aan een rustige straat zonder parkeerproblemen. Dat is noemenswaardig, want 90 procent van de bevolking in de Stad van de Zon vindt dat de ander teveel auto’s heeft en deze niet op de daarvoor aangewezen carport in de achtertuin parkeert.

“Waarom vindt u het fijn om in deze wijk te wonen?” vroeg ik in ieder interview wel een keer. ‘De diversiteit aan huizen’, ‘ruim opgezet’ en ‘mijn woning’ waren veel voorkomende antwoorden. “Hoe merkt u dat u in een Vinex-wijk woont?”. Het was even stil. “Vinex-wijk?” klonk het vervolgens verbaasd. “Dat is toch met allemaal eentonige rijtjeshuizen? Nee, ik woon niet in een Vinex-wijk hoor. Tenminste, dat vind ik”.

Goed, voor de leken onder ons, de Stad van de Zon is wel degelijk een Vinex-wijk. Maar tijdens mijn onderzoek ben ik er wel achter gekomen dat de Stad van de Zon een vrij unieke Vinex-wijk is. De diversiteit aan huizen is inderdaad groot en de deelnemende architecten hebben hier en daar een knap staaltje werk geleverd. “Tenminste, dat vind ik”. Ook zijn er verschillende voorzieningen die het midden van de wijk een werkelijke centrumfunctie geven. Hier komt men elkaar tegen en spreekt men elkaar aan op straat. In het weekend althans, overdag is iedereen aan het werk.

“Ik vind het saai hier”
“Waarom vindt u het saai hier?”
“’t is een slaapwijk” klonk het in onvervalst Amsterdams. “Ja moet je luisteren ik kom uit de stad. Ik ben dit niet gewend hoor.” Toch gingen de kinderen voor bij een keuze tussen de stad of ‘het dorp’. Een term die Heerhugowaard toch wel ontgroeid is met zijn 53.000 inwoners.

Nou zit ik al aan het einde van mijn blog en heb ik het nog helemaal niet over duurzaamheid gehad. Dus bij deze:
“Denkt u dat andere mensen in de wijk het duurzaamheidsthema belangrijk vinden?”
“Nou, ja, nee…nee, dat denk ik niet”.
“Ok. Ik wil u hartelijk bedanken voor uw tijd”.
“Ja, graag gedaan. Ik hoop dat je er wat aan hebt.”

De 19 onderzoekers die namens De Vinexmensen in 8 verschillende Vinex-wijken onderzoek doen, houden ons via blogs op de hoogte van hun vorderingen. Vandaag aflevering 2: De waarheid ligt in het midden van IJburg
Door: Kevin van Huët - 22 mei 2015


IJburg, door de een gevreesd om het label ‘Vinex’, door de ander geliefd om de rust die er heerst. Er is en wordt veel geschreven over IJburg, al vanaf het moment dat de wijk slechts op de tekentafel bestond. De wijk, gelegen in het IJ aan de oostrand van Amsterdam, kende daardoor een stroeve start. IJburg zou weinig uitdagend zijn, tussen de huizenblokken zou men vooral wind voelen in plaats van een goede sfeer en er zou al helemáál niemand gaan wonen. De stadsmens gruwelde ervan.

Dertien jaar na de komst van de eerste bewoners vormt IJburg echter een volwaardige wijk en groeit het aantal woningen en bewoners nog steeds. Desondanks kleeft de veelal negatieve berichtgeving nog steeds aan het imago van de kunstmatig aangelegde wijk. De berichtgeving door verschillende media bepaalt voor een hoop mensen het beeld dat ze van IJburg hebben. Zo wordt een negatief beeld van IJburg levend gehouden. Maar is alle berichtgeving juist?

Als gevolg van mijn interesse in de invloed van beeldvorming van een plek, ben ik een media-analyse gaan doen omtrent de krantenberichtgeving over IJburg, een proces dat nog in volle gang is. Door mediaberichten te verzamelen, te analyseren en ze in feite te ontleden moet duidelijk worden welk beeld er nu daadwerkelijk van IJburg door de media wordt neergezet.

Een van de voorlopige conclusies lijkt bijvoorbeeld te zijn dat IJburg vaak wordt genoemd in columns, geschreven door columnisten die niet in IJburg woonachtig zijn. Columns geven veelal de subjectieve werkelijkheid van de columnist weer. De informatie berust dikwijls op geringe informatieverzameling en op eigen ervaring, waar nieuwsartikelen vaak veel feitelijker zijn. Wat voor een columnist de werkelijkheid is, hoeft voor een ander niet als zodanig te worden ervaren.

Hierin schuilt dan ook een interessant aspect van beeldvorming: een eenduidige waarheid van een wijk bestaat niet. Bewoners ervaren hun wijk anders dan columnisten en columnisten ervaren een wijk weer anders dan krantenlezers. Waar de een zweert bij rust, heeft de ander liever stadse rumoer. Waar de een zijn kinderen het liefst op grote speelplaatsen laat spelen, laat de ander zijn kinderen het liefst in de stedelijke drukte opgroeien.

Wat is dan de waarde van de berichtgeving? De columns beschrijven een gevoel dat door de auteur als waarheid ervaren wordt. Om zelf een beeld te krijgen van een bepaalde wijk zijn de waarheden van anderen echter niet perse toereikend. Mijn advies is dan ook om kritisch te blijven op mediaberichtgeving en het niet klakkeloos als waarheid aan te nemen. De waarheid ligt namelijk op IJburg zelf, midden in het IJ.

De 19 onderzoekers die namens De Vinexmensen in 8 verschillende Vinex-wijken onderzoek doen, houden ons via blogs op de hoogte van hun vorderingen. Vandaag aflevering 1: Waar zijn de Vinexmensen in Rotterdam-Nesselande?
Door: Stephan Woninck - 16 mei 2015


Wie op een doordeweekse middag door Rotterdam Nesselande loopt, vraagt zich dit meerdere malen af: ‘Waar zijn de Vinexmensen’? Het zonnetje schijnt, het water van de Zevenhuizerplas glinstert in de verte, de wind waait onverminderd, maar op een paar actieve ganzen na, is het verdacht stil. Nesselande symboliseert op zo’n moment de Vinex-wijk als slaapwijk in zijn beste vorm.

Eén van de weinige manieren om op dit soort momenten Vinexmensen te vinden, is door op zoek te gaan naar hondenliefhebbers. Tijdens een korte wandeling van het metrostation over de hoofdas van de wijk richting de woonwijken, bevinden alleen mensen die hun hond uitlaten zich op straat. Nu zijn deze mensen uiterst vriendelijk, maar om te vragen of men interesse heeft in een interview over de toekomst van Nesselande net nadat zij de uitwerpselen van hun trouwe viervoeter oprapen, is een uiterst ongelukkig gekozen moment.

Later op de middag is er meer activiteit op straat. De scholen zijn uit en de kinderen gaan naar huis. Het is echter niet mama of papa die eerder van kantoor is weggegaan om zijn kind op te halen van school en thuis te brengen. Het schoolplein staat vol met oma’s en opa’s die van buitenaf komen om hun kleinkinderen veilig thuis te brengen.

Op woensdag, een dag waarop veel Rotterdamse scholen de kinderen na het middaguur naar huis sturen, is er meer volk op straat. Gillende kinderen die dankbaar gebruik maken van de overvloed aan klimrekken en voetbalveldjes zorgen voor een meer levendige aanblik als de dag ervoor. Samen met de kinderen zijn er ook enkele ouders die een vrije middag hebben genomen en met hun kinderen spelen in het park.

Het benaderen van deze mensen om op termijn een interview mee te kunnen houden, geeft wisselend succes. Voor velen is de drempel naar een interview toch net iets te groot. ‘Off the record’ willen ze wel wat mededelingen over de staat van de wijk doen. Dat gaat soms in beschaafd Nederlands: “Ze zouden hier toch wel iets meer aandacht mogen besteden aan de preventie op het winkelplein.” En soms in onvervalst Rotterdams: “Als ter nog één keer zo’n rotjoch met ze scooter voorbij komp scheuren trek ik ‘em der vanaf.”

De meeste reacties zijn afkomstig van mensen die wonen in ‘Badplaats’, het gedeelte van Nesselande dat aan de boulevard en de Zevenhuizerplas ligt. In de winter wonen zij hier prima, met een mooi uitzicht over het water. Maar als de zomer komt is het volgens sommigen over met de pret. De aanloop van jongeren vanuit de gehele deelgemeente naar de Zevenhuizerplas zorgt voor vervuiling en voor overlast voor de bewoners.

Ondanks deze negatieve klank is het te hopen dat de zomer zich snel aandient, de mensen naar buiten komen en de parkjes en het strand weer vol zitten.

Voor nu rest nog slechts een ding. Nesselande, slaap lekker.